About my blog

Deze blog bevat nieuws en informatie over functiebeperkingen, waar studenten en personeel mee te maken kunnen krijgen.

Archive

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Weblog for Sietske Geuzebroek

Functiebeperkingen

Kleurrijk omgaan met dyslexie

– HRO – Profielen 2007 –

Dyslexie, een probleem waar veel studenten mee kampen. Hoe maak je aantekeningen tijdens een hoorcollege? Hoe studeer je voor een tentamen? Over deze vragen en meer gaat de keuzemodule Dyslexie en studievaardigheden van docente Nel Hofmeester.   

Kleurrijk omgaan met dyslexie

De keuzemodule Dyslexie en studievaardigheden is momenteel nog een pilot. Als de studenten tevreden zijn, zal dit vak volgend schooljaar als vaste keuzemodule worden aangeboden. Tijdens de les zijn achttien studenten druk in de weer met viltstiften. De opdracht was ‘maak een mind-map van je ervaringen met het gebruiken van een mind-map’. Dyslectische mensen hebben moeite met aantekeningen maken. Een mind-map is een alternatief. Je tekent een grote cirkel in het midden van een vel papier met daarin het belangrijkste woord van de les. Uit die cirkel groeien allemaal takken in verschillende kleurtjes. Langs die takken staan kernwoorden in hoofdletters en aan het eind van die takken staat de uitleg. De afgelopen week hadden de studenten de opdracht zo’n mind-map te gebruiken. Nu moesten ze er een maken met daarin hun ervaringen. ‘Voor mij is het lastig, ik heb namelijk een heel slordig handschrift. Dus wat juist heel overzichtelijk zou moeten zijn, wordt bij mij heel rommelig’, vertelt een van de studenten. Ga dan mind-mappen op de computer, wordt als oplossing gesuggereerd. Want voor het merendeel van de studenten werkt het juist wel heel overzichtelijk. ‘Ik heb drie kleuren een functie gegeven. Groen is het belangrijkste, oranje is stof die ik eigenlijk al weet en geel is bijzaak’, aldus een andere student. ‘Ik word er heel hebberig van. Ik wil ineens de allermooiste stiften!’, vertelt een derde student.

Stressloos namenrondje
Bekend is dat mensen met dyslexie moeite hebben met woorden. Symbolen en tekeningen blijven veel beter hangen. Nel Hofmeester probeert de studenten in deze lessen tips te geven voor het leren met dyslexie. Door het gebruik van kleurtjes en hoofdletters in een mind-map vallen bepaalde woorden direct op. ‘De student wordt gedwongen weinig woorden te gebruiken. Vaak pikken ze de belangrijkste woorden er wel uit, maar vertrouwen ze daar niet op. Als je maar wild van alles gaat opschrijven, heb je veel te veel informatie en is het verhaal eigenlijk langs je heen gegaan’, schetst Hofmeester. Naast het onder de knie krijgen van deze mind-maps leren de studenten in deze les ook over de energiemeter. Deze mentale oefening kan gebruikt worden tijdens het studeren. Heb je een inkakmoment of ga je juist even te snel voor jezelf, dan kun je deze energiemeter gebruiken. Bedoeling is dat je je concentreert op een visuele meter met een schaal van nul tot tien. Vervolgens moet je je energie op die meter plaatsen en hem verhogen of verlagen. ‘Ik word er nogal slaperig van’, merkt een gapende student op.
Tot slot werd er geoefend met namen onthouden, want ook dat is een lastige voor mensen met dyslexie. Iedereen moest een naambordje neerzetten en vervolgens werd er een uitgebreid namenrondje gehouden. Zodra duidelijk werd waar het namenrondje begon, klonk er een zware zucht van het ‘slachtoffer’ van deze week: degene die als laatste moest. ‘Ik wil wel als laatste’, roept een ridderlijke medestudent. ‘Nee ik kan het wel’, zegt het slachtoffer. ‘Aan het eind van deze module doen we dit namenrondje geheel zonder stress’, stelt Hofmeester de studenten gerust.

En het oor zegt PIIIIIEEEP

UK 22 | 22 februari 2007 | Jaargang 36

En het oor zegt PIIIIIEEEP

Bijna tweederde van de jongeren heeft een ‘minder goed’ gehoor, blijkt uit onderzoek. De oorzaak? Harde muziek in discotheken, popconcerten, maar vooral: de nieuwste mp3-spelers die het geluid regelrecht het oor insturen. De UK verifieerde de uitkomst onder Groningse studenten en bekeek hoe zij omgaan met hard geluid. “Muziek moet wel een beetje hard staan, dat vind ik lekker.”

Dorien Vrieling

Harde muziek dreunt door de verlaten gangen van het Viaduct in de Groningse Oosterpoortwijk. Het is zaterdagmiddag. Achter gesloten deuren zijn her en der bandjes aan het oefenen. Lage bassen laten de muren trillen.
Studente psychologie Mariska Goeree is aan het jammen met haar band. Ze is zangeres en brengt veel tijd door tussen de gitaren, drumstellen en versterkers. Eén van de bandleden gebruikt oordoppen. Goeree niet, hoewel ze bij haar vorige band vaak merkte dat haar oren pas op maandag weer ‘open’ gingen. “Ik heb het er laatst nog met de andere bandleden over gehad. Onze bassist heeft zelfs oordoppen op maat laten maken. Dat was een duur grapje.” Maar voorlopig laat ze het er toch maar bij. “Honderd euro vind ik een hoop geld.”

Milan Kaihatu, student bedrijfskunde, gebruikt zijn mp3-speler veel. Soms maakt hij zich wel wat zorgen over de “nadelige effecten” van zijn iPod. “Een vriendin van me zegt altijd dat ik ’m knoerthard heb staan, terwijl ik dat zelf helemaal niet vind.” Nou ja, hij weet dat de mp3-speler ook niet zacht staat. “Maar muziek moet wel een beetje hard staan, dat vind ik lekker.”
Toch doet hij er waarschijnlijk goed aan zich zorgen te maken. Uit onderzoek blijkt dat veel jongeren problemen hebben met hun gehoor. Hoewel ze vaak denken dat er niet zo veel aan de hand is, scoren ze lager dan zou moeten voor hun leeftijd op gehoortesten. De oorzaak? Behalve popconcerten en harde muziek in discotheken, zijn het voornamelijk mp3-spelers die gehoorschade veroorzaken. De nieuwste exemplaren zijn zo goed, dat de muziek nauwelijks nog vervormt als het volume voluit wordt gezet. Gecombineerd met het feit dat de earphones tegenwoordig ín het oor worden gedragen, dicht bij het trommelvlies, ligt gehoorbeschadiging op de loer. “Het aantal slechthorenden groeit gestaag”, zegt audioloog Jan de Laat van het Universitair Medisch Centrum in Leiden. “En niet alleen onder oude mensen. Juist onder jonge mensen neemt gehoorbeschadiging sterk toe.”
De Laat ontwikkelde enige jaren geleden de oorcheck, een onlinetest waarmee speciaal jonge mensen hun gehoor kunnen testen. Duizenden jongeren deden deze oorcheck al en de resultaten waren schokkend. Hoewel de meeste jongeren van tevoren denken dat er met hun oren weinig mis is, scoort maar eenderde van de jongeren een werkelijk goed gehoor. Bij 44 procent blijkt het gehoor ‘iets minder goed’ en bij 19 procent van de jongeren is het gehoor onvoldoende of ronduit slecht. Om jongeren te stimuleren de test ook daadwerkelijk te maken, heeft Van Dik Hout de test ingezongen. Ook Lange Frans en Baas B. leenden hun stem.

Thomas Hermans is in Groningen student internationale organisaties en American studies. Na het uitgaan heeft hij vaak last van piepende oren. Toch past hij wel op en gaat hij niet vlak voor de boxen staan in een café of discotheek. Hermans heeft een minidisc-speler die hij vaak gebruikt. “Maar die stel ik in op ‘gehoor niet beschadigen’. Je hoort vaak dat mensen ‘m steeds harder zetten. In de trein bijvoorbeeld zetten mensen ’m soms echt keihard. Dat is slecht voor je oren, en vervelend voor anderen.” Je kunt het goed merken wanneer mensen slechte oren hebben, zegt Hermans. “Dan gaan ze hard praten omdat ze jou slecht verstaan.”
Hij verklaart zich bereid de oorcheck te doen die De Laat ontwikkelde. Bij het opstarten van de onlinetest moet hij eerst aangeven wat zijn eigen inschatting van zijn gehoor is. Dat is ‘goed’. Hermans verwacht geen problemen. Ook zijn leeftijd en geslacht moet Hermans aangeven. Dan begint de test. Een vrouwenstem leest de testwoorden voor: ‘zaag’, ‘poes’, ‘leeuw’. De geluiden worden vervormd door luide ruis, net zoals je in de werkelijke wereld geluiden altijd hoort in een brij van achtergrondlawaai. Hermans scoort uiteindelijk ‘iets minder goed’. Dat verrast hem.

Ook zijn vriend, bedrijfskundestudent Bob Jan Schoot Uiterkamp, doet de test. Schoot Uiterkamp is wedstrijdroeier en leeft dus uiterst gedisciplineerd. Hij komt niet vaak in kroegen of discotheken. “Het is zes keer per week sporten, geen alcohol, om twaalf uur slapen. Feest is er pas als we winnen, en dat is nog maar afwachten!”
Ook een mp3-speler heeft hij niet. “Gewoon niet nodig.” Hij fronst bij een aantal geluidsfragmenten met veel ruis: “Ik kan hier niets van maken.” Thuis draait hij veel muziek. Nooit echt hard. “Mijn buren hebben geen last van me.” Dat blijkt ook wel. Schoot Uiterkamp verwachtte dat hij goed zou scoren en dat doet hij ook. Met zijn gehoor is niks mis.
Psychologiestudent Jan Mars blijkt een minder goed gehoor te hebben als hij wel zou willen. Hij vermoedde het al. “Ik merk dat mijn gehoor achteruitgegaan is, ik versta mensen steeds slechter.” Zijn uitslag is ‘iets minder goed’. Mars vindt de testmethode wel goed, “want zo’n stem door een hoop ruis, dat is net zoals je iemand hoort in bijvoorbeeld de kroeg”.
Hij wijt zijn slechtere score aan het feit dat hij drumt in een band. Daarnaast speelt hij basgitaar en gaat hij vaak naar concerten. Tegenwoordig draagt hij oordoppen en dat helpt wel iets. “Ik heb nu niet meer zo’n piep in mijn oren de dag nadat ik gedrumd heb.” Een mp3-speler gebruikt Mars wel, maar “niet gigantisch vaak”.

Het blijkt niet eenvoudig in te schatten of je gehoor wel of niet goed is. Studente psychologie Denise Groeneveld bijvoorbeeld is ervan overtuigd dat er met haar gehoor wel wat mis zal zijn. “Ik heb een kraak in mijn oor. Ik was een keer ziek, toen is dat begonnen. Al vijf jaar geleden of zo. Heel irritant, er zit een kraak in beide oren. Hoor maar.”
Ze houdt haar oor dichtbij en inderdaad, de kraak kun je van buiten horen. Kggggk. “De dokters weten niet zo goed wat het is. Ik moet er maar mee leren leven, zeggen ze.” Ze is er inmiddels een beetje aan gewend. “Maar in het begin was het heel irritant, ik kon er niet van slapen.”
Haar gehoor blijkt echter prima in orde. “Dat had ik niet verwacht. Ik ben soms heel doof.” Maar ze heeft dan ook niet vaak harde muziek op en gebruikt geen mp3-speler.
Precies dát is van belang, zegt ook De Laat. De onderzoeker vermoedt verder dat lager opgeleide jongeren vaker problemen hebben dan bijvoorbeeld studenten. “Uit onderzoek blijkt dat vmbo- of lbo-leerlingen veel uren in houseparty’s en discotheken doorbrengen. En zij zijn degenen die daardoor de meeste gehoorbeschadiging oplopen. Natuurlijk, het ligt niet alleen aan de manier waarop jongeren hun vrije tijd doorbrengen. Het maakt ook uit in hoeverre ze er zelf over nadenken, op gevaar voor gehoor geattendeerd worden, en in hoeverre ze zulke adviezen opvolgen.”

Dat studenten nadenken is van groot belang. Want de gehoorschade die nu ontstaat, is permanent, benadrukt De Laat. “Je moet dus preventief werken. Het is van groot belang dat je niet te veel in de buurt van hard geluid verkeert, dat je rust neemt.”
Student Jan Mars neemt de adviezen voortaan ter harte. “Voor later maak ik me wel een beetje zorgen, ja. Dat ik straks als ik zit te rentenieren op een verlaten berg alleen een piep in mijn oren heb. Maar ik leef in het nu. Ik bescherm mijn oren al, maar nu ben ik er een beetje laks in, ik doe mijn oordoppen niet altijd in. Dat ga ik in de toekomst meer doen. En hopen dat er ooit iets wordt uitgevonden waardoor de gehoorschade ongedaan kan worden gemaakt, haha. Ja, je weet nooit.”

www.oorcheck.nl
 

Rabobank heeft aandacht voor toegankelijkheid

De Rabobank zet zich actief in voor klanten met een functiebeperking.  In september werd een speciale bankpaslezer geïntroduceert voor mensen die moeite hebben met lezen.

Rabobanknieuws 19-9-2007

Rabo Internetbankieren nu ook voor slechtzienden
Op 19 september heeft de Rabobank op de 50PlusBeurs in Utrecht de Random Reader Comfort gepresenteerd. Dit is een grotere uitvoering van de bestaande Random Reader, waarmee Raboklanten kunnen internetbankieren. Door de grotere toetsen en de spraakfunctie van de Random Reader Comfort wordt internetbankieren nu beter toegankelijk voor blinden en slechtzienden. Naar verwachting is de reader eind november verkrijgbaar.

Modern bankieren
In de stand van de Rabobank konden bezoekers onder meer kennismaken met Rabo Internetbankieren en mochten ze € 1 overmaken naar hun eigen rekening. Onze seniorenvoorlichters demonstreren de werking van Rabo Internetbankieren, het pratend chipknipoplaadpunt, Rabo Mobiel en de primeur: de nieuwe Random Reader Comfort.

Gratis beschikbaar
De Random Reader Comfort wordt in het najaar gratis beschikbaar gesteld aan blinden, zeer slechtzienden en motorisch gehandicapten.

Website Rabobank

Ook de website  van de Rabobank is goed toegankelijk voor mensen met een leesbeperking:

Toegankelijkheid
Wij vinden het belangrijk dat iedereen zijn bankzaken zelfstandig kan regelen. Daarom hebben wij een website die eenvoudig te bedienen is, met informatie die duidelijk is opgeschreven.

Drempelvrij
Wij hanteren de zestien richtlijnen van het Waarmerk drempelvrij.nl. Deze richtlijnen zorgen ervoor dat ook senioren of mensen met een functiebeperking gebruik kunnen maken van onze internetsite. Inmiddels voldoet het informatieve deel van de Rabobanksite aan vijftien van de zestien richtlijnen. Zo kunt u bijvoorbeeld gebruikmaken van een brailleleesregel of de teksten laten voorlezen met de ReadSpeaker.

Internetbankieren
Voor het beveiligde deel van de website werken deze functionaliteiten nog niet. Dat wil niet zeggen dat mensen met een visuele functiebeperking niet kunnen bankieren via de Rabobanksite. Speciaal voor hen hebben wij twee brochures gemaakt met de mogelijkheden. Daarnaast geeft de Rabobank, samen met Revalidatiecentrum Visio Het Loo Erf in Apeldoorn, tweewekelijks een training Digitaal Betalingsverkeer.

REPORTAGE – Mare 28, 19 april 2007


Vloedgolf in je oor

Het probleem bij gehoorschade door lawaai zit hem in de slakkenhuizen. Het slakkenhuis of cochlea is een orgaan in het binnenoor. In het orgaan groeien allemaal kleine haartjes, die in een waterachtige vloeistof staan. Geluid is trillende buitenlucht; je oor zet dat om in trillingen van de vloeistof in de cochlea.

De vorm van het slakkenhuis is zo, dat een bepaalde toonhoogte specifiek de haartjes op een bepaalde plaats in trilling brengt. De beweging van de haartjes wordt omgezet in elektriciteit, zoals een fietsdynamo dat doet met de beweging van een fietswiel. Dat elektrische signaal gaat vervolgens via de gehoorzenuw naar de hersenen.

Staat het geluid te hard, dan worden die haarcellen kapot gescheurd als door een vloedgolf in je oor. Omdat ze allemaal samenwerken, kunnen de hersenen na een beschadiging de juiste toonhoogte-informatie niet meer goed onderscheiden. Medeklinkers gaan hetzelfde klinken, en het verschil tussen zuivere en net-niet-zuivere muziek is niet meer te horen. Een professioneel muzikant heeft dan een serieus probleem – en 75 procent van alle professionele muzikanten heeft een gehoorbeschadiging.

Decibelmeter

De decibel (in dB gemeten) is een maat voor geluidssterkte. Decibels werken met een logaritmische schaal: 50 dB is niet 25% harder dan 40 dB, maar tien keer zo hard. Dit heeft als voordeel dat het makkelijker is om het totale effect van verschillende geluidsbronnen te berekenen, en dat het grofweg overeenkomt met de manier waarop mensen geluid waarnemen. Het nadeel is dat mensen niet in logaritmen denken. 83 decibel lijkt niet veel harder dan 80 decibel, maar het is twee keer zo hard, en een werknemer mag er van de wet maar half zo lang aan zijn blootgesteld.

-10 dB Geen mysterieus antigeluid, maar gewoon onhoorbaar zacht. Dat minteken is het resultaat van werken met logaritmes
0 dB Gehoorgrens. Iemand met een gezond gehoor kan geluiden die harder zijn dan 0 dB waarnemen
20 dB Stiltegebied in de natuur
60-70 dB Gesprek
80 dB Luidruchtige werkplek of drukke verkeersweg, schreeuwen, drempelwaarde voor gehoorbeschadiging
100-110 dB Werken met een drilboor of kettingzaag
120 dB Geluidsvolume bij de hardere feesten en concerten
130 dB Pijngrens. Opstijgend vliegtuig op ongeveer vijftig meter afstand. Vermogen waarop sommige mp3-spelers nog onvervormd muziek leveren

Volkskrant: Daar komen de lichte autisten

Daar komen de lichte autisten en ADHD patienten

Malou van Hintum in Volkskrant van zaterdag 6-10-07

Gedragsstoornissen Meer hectiek en hogere eisen brengen ook mensen met milde ADHD of autisme in problemen. Uitkeringsinstantie UVW voorziet een enorme toename van autisten en ADHD-ers. Op grond waarvan eigenlijk? Op dit moment ontvangen 161.000 mensen een zogeheten Wajonguitkering, bedoeld voor mensen die voor hun achttiende gehandicapt waren.
Uitkeringsinstantie UVW verwacht, meldde zij vorige week, dat er in 2040 300.000 tot 360.000 Wajongers zullen zijn. Dat is meer dan je kunt verwachten op grond van het aantal jongeren in 2040 en de kans dat ze jonggehandicapt zijn. En dat komt doordat het aantal ADHD'ers en autisten zal toenemen, aldus het UVW. Alleen: waar komen al die extra ADHD'ers en autisten vandaan?

Biopsycholoog dr. Martine Delfos, auteur van een handboek over autisme, geeft voor die groei twee oorzaken. Deels wordt die veroorzaakt doordat we autisme en ADHD beter herkennen. Een ander deel, mogelijk groter, is te wijten aan foute diagnoses.'
De diagnoses moeten gebaseerd worden op de DSM, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Deze bestaat uit lijstjes met symptomen die bij een bepaalde psychiatrische ziekte horen.
Idealiter kan de therapeut zo'n lijstje afvinken en dan bepalen waar zijn patiënt aan lijdt. De praktijk is een stuk ingewikkelder, want de symptomen van verschillende ziekten overlappen, zijn sterk of juist zwak, en herkenning en interpretatie zijn afhankelijk van de kennis en ervaring van hulpverlener of arts.
'Omdat de wachtlijsten in de GGZ- en de jeugdzorg snel weggewerkt moeten worden, moeten veel jonge, nog onervaren mensen ingezet worden' zegt Delfos. De multidisciplinaire teams kunnen de vele aanvragen voor diagnostiek niet aan. Vroeger beoordeelden een psycholoog, een psychiater en een maatschappelijk werker samen een patiënt. Nu mogen hulpverleners dat ook alleen doen. Terwijl multidisciplinariteit onontbeerlijk is bij deze diagnoses.'

Onderliggend
De diagnose autisme of ADHD wordt bovendien regelmatig gegeven bij andere, onderliggende problematiek, zegt ze. 'Veel kinderen die deze diagnose krijgen, lijden onder de scheiding van hun ouders. Zulke kinderen zijn in zichzelf gekeerd, gaan juist heel druk doen, of zich raar gedragen. Maar dat zijn normale reacties als je ouders uit elkaar gaan.'
Andere patiënten die soms fout gediagnosticeerd worden, zijn meisjes met anorexia. Delfos: 'Zij zijn meesters in het verbergen van hun ziekte. Wat je dan ziet is een angstig, in zichzelf gekeerd kind. En dat kan kan dan per abuis het stempel autististisch krijgen.'
Prof.dr. Rutger Jan van der Gaag, hoogleraar klinische kinder- en jeugdpsychiatrie aan het UMCN St. Radboud, is gespecialiseeerd in autisme, aan autisme verwante stoornissen (ASD) en ADHD. Hij denkt dat het met die foutdiagnoses wel meevalt. 'Er komen wel 'moedwillige foutdiagnoses' voor. Een lastig kind krijgt geen rugzakje, geen extra geld, een kind mét een diagnose wel. Het is een paspoort geworden voor dienstverlening. Hulpverleners willen daar soms wel een handje bij helpen.' Van der Gaag ziet andere oorzaken voor de groei van het aantal ASD'ers. Om te beginnen zijn de criteria voor autisme in 1994, in de vierde versie van de DSM, verruimd. En terecht. Mensen met ASD lopen net zo goed tegen een muur op. Die verruiming leverde een verdrievoudiging van de aantallen op: van 0,35% naar 1,15% van de bevolking.'
Daarnaast wordt autisme inderdaad veel beter herkend, zegt hij. Door artsen, hulpverleners, ouders en leerkrachten. In Gelderland hebben we alle consultatiebureauteams getraind om autisme op heel jonge leeftijd te herkennen.
Hun diagnoses kloppen in twee van de drie gevallen. In het derde geval is er sprake een ernstige ontwikkelingsstoornis.'
De derde reden voor de toename heeft te maken met de veranderende maatschappij. Van der Gaag: De samenleving individualiseert. Er wordt, ook op het werk, een groter beroep gedaan op je zelfstandigheid, mobiliteit, flexibiliteit. Mensen die vroeger overzichtelijke werkzaamheden hadden, op een vaste tijd en in een omgeving met veel structuur, vallen nu buiten de boot als ze iets moeten doen waarvoor eigen initiatief of improvisatietalent nodig zijn. Zij zijn de lichte autisten die vroeger wél mee konden komen, en nu niet meer.'

Prikkels
Ook ADHD'ers, zo'n 3-5% van de bevolking, worden beter herkend dan vroeger, en ook ADHD'ers hebben last van een veranderende omgeving. Van der Gaag: 'Jonge kinderen worden aan ongelofelijk veel prikkels blootgesteld. Alle klaslokalen hangen vol met leuke affiches en dingetjes, kinderen hebben om de haverklap een nieuwe juf. In combinatieklassen redden ADHD'ers het niet. Groep 3 krijgt verhaaltjes voorgelezen terwijl groep 4 moet rekenen. Dan wordt er zo'n groot beroep gedaan op je concentratievermogen! Vroeger had je drie jaar lang een en dezelfde leerkracht, en wist je een jaar van tevoren precies wat je welk uur van de dag op school ging doen. Dat is nu totaal anders.'
Bovendien, zegt hij, zullen er meer ADHD'ers komen die nu nog te vaak over het hoofd worden gezien: Dan gaat het om ADD'ers, een zwaar onderschat probleem. Dat zijn meestal meisjes. Die zijn niet hyperactief, zoals jongens, maar juist dromerig. Niet lastig, daarom worden ze vaak niet opgemerkt. Maar ze kunnen zich net zo min concentreren.'
Dat er meer kinderen met ADHD komen, hoeft niet automatisch te leiden tot een grotere instroom van ADHD'ers in de Wajong-uitkering. ADHD is goed te behandelen, zegt Van der Gaag.
Maar autisme niet. De toename van ADHD'ers en autisten in de Wajong die het UVW voorspelt, komt daarom hoofdzakelijk op conto van de autisten, denkt hij.
'Autisten hebben begeleiding en een gestructureerde werkomgeving nodig. Als ze die hebben, hoeven ze niet in de Wajong te blijven hangen. Je zou werkgevers moeten kunnen opleggen dat ze een x-aantal Wajongers in dienst nemen, maar dat ze wél een uitkering krijgen op het moment dat ze niet productief zijn. Zo lopen de werkgevers geen risico, maar komen die mensen wel aan het werk.'

© 2011 TU Delft